Column van Max van Bulken
Het is een grauwe donderdag, negen uur in de ochtend. Een ochtend die nog vroeger voelt dan drie maandag-morgens bij elkaar. De wallen hangen tot mijn tenen. Met een kleine drie uur slaap en de broodnodige spoedwerkzaamheden achter de rug, kan een dag die komen gaat niet meevallen. Toch?
Niets verrast mij meer.
Het plein onder de grote toren van de studentenstad is afgeladen met studentenvolk, wat geen uitzondering is maar toch mijn aandacht trekt in deze vroege morgen. De meeste leden van het studentenvolk liggen nog in hun nest, na gisterenavond de bloemen buiten te hebben gezet. Zonder deze weer naar binnen te halen, lijkt het wel. Toch zijn er al velen op de been. De collegezaal raakt dan ook voor een ochtend vrij goed gevuld.
Tijdens de bespreking dwalen de gedachten af naar vele andere thema’s, wat uitmondt in een respectabel maar tegenstrijdig gesprek met iemand die last heeft van dezelfde kwaal: behoeftig aan weerwoord. De visies van ons als twee studenten op het wereldlijke gebeuren vallen nauwelijks met elkander te verenigen. Toch blijft het gesprek zonder enkele stemverheffing, geschreeuw of verwijten als discussie gaande: zo kan het dus ook. Zélfs in deze tijd.
De waarden kunnen niet ver uit elkaar liggen, ondanks de totaal verschillende invulling van het geheel. Ik kan op deze plek dunnetjes overdoen wat ik daar deed, maar dat lijkt mij geen goede zaak: laat het weerwoord maar eerst komen.
Na de bespreking vervolgde ik mijn weg die nog een dag lang zou duren, al voelde het al minder als zodanig. Met een opgewekt gelaat sloot ik uiteindelijk aan in de volgende bespreking, die uitmondde in een bizarre ontdekking.
Ik kwam in aanraking met een studente die te veel van studeren houd. Met een dubbele bachelor gaande, vervolgt zij haar weg met een minor in de filosofie. Na een aantal weken verscheidene gesprekken te hebben gevoerd over haar vakgebied, die in vrijwel alles haaks staat op de mijne, kwam er geheel toevallig een persoonlijk tintje aan de conversaties. Niet alleen dat we redelijk hetzelfde handschrift hebben, wat we een week geleden concludeerden.
Om deel te nemen aan een bespreking geldt dat het werk op orde moet zijn. Zo pakte ik een mapje waarin de gelezen teksten zich bevonden. Ik vouwde het open en wilde het pak papier los op de tafel voor mij plaatsen, toen er vanuit haar zijde een merkwaardige vraag ten tonele verscheen.
“Wil je dat mapje even omvouwen?”
Ik stopte gewillig, maar met enige verbazing, de papieren terug en vormde het mapje weer naar zijn gesloten staat van zijn.
“Dat logo ken ik.”
Ze wees naar een sticker die op het mapje zat. Het betreft het oude logo van het Revius Lyceum. Ik was de gele uitvoering vergeten van het mapje af te halen.
“Dat is het oude logo van mijn middelbare school…” poogde ik te antwoorden.
“Dat weet ik,” zei ze. “Ik heb daar ook op school gezeten.”
Met een behoorlijke verbazing vervolgden wij de conversatie, terwijl de docent van dienst steeds strakker naar de klok ging kijken. Hij wilde nu toch echt wel beginnen. Toch had de verbazing de overhand. We spraken over het belang van de middelbare schooltijd in de vorming van de leerlingen aldaar, om het ook te hebben over gezamenlijke kennissen en docenten. Natuurlijk ook over de aanstaande reünie op 6 juni.
Na een lang gesprek over de school interrumpeerde de professor onze conversatie. De twee die anders zo stevig oplette, hadden wel wat beters te doen.
Arme man, toch leek het ons beide een nuttiger gesprek. De kracht van een middelbare school en haar invloed op het leven van nu bleek van een dergelijke importantie, dat wij beiden deze bespreking langdurig voortzette. Aan het einde van deze bespreking kwamen we erachter dat ik een jaargenoot van haar zusje bleek te zijn. Kleine wereld.
Dit liet toch vooral zien wat er werkelijk toe doet. De kracht van écht contact, ook dat leert men in een bruisend onderwijsland.
Reactie plaatsen
Reacties